Een eerlijker risicoscore voor boezemfibrilleren

Een eerlijker risicoscore voor boezemfibrilleren
Geschreven door:Myrthe ,

Boezemfibrilleren (atriumfibrilleren, AF) komt veel voor. In Nederland gaat het om honderdduizenden mensen. De hartritmestoornis verhoogt de kans op een beroerte en hartfalen aanzienlijk.

Voor een lange tijd werd het risico vooral ingeschat met klinische modellen en genetische scores die goed werken bij mensen met een Europese achtergrond.
Daarbij bleef een belangrijke vraag open:

Werken deze scores wel eerlijk voor iedereen?

Onderzoekers van Amsterdam UMC hebben nu een nieuwe genetische risicoscore ontwikkeld en gepubliceerd in Nature Communications. Deze score is met behulp van AI opgebouwd uit genetische gegevens en getest in diverse bevolkingsgroepen.

In dit artikel lees je wat dat betekent voor boezemfibrilleren en uiteindelijk voor jou.

Wat is boezemfibrilleren?

Bij boezemfibrilleren klopt je hart onregelmatig en vaak te snel.

Dat komt doordat de elektrische signalen in de boezems een chaotisch patroon aannemen. De golven lopen kriskras door het boezemweefsel heen. Daardoor verliest het hart zijn regelmatige ritme.

Typische klachten zijn:

  • hartkloppingen
  • kortademigheid
  • snelle vermoeidheid
  • een gevoel van onrust in de borst

Soms merk je weinig. Toch is de hartritmestoornis niet onschuldig. Boezemfibrilleren gaat samen met een sterk verhoogde kans op hartfalen en beroertes.

Daarom is het belangrijk om mensen met een hoog risico zo vroeg mogelijk te herkennen.

Waarom spelen je genen een rol bij boezemfibrilleren?

Bij boezemfibrilleren denken veel mensen aan leeftijd, hoge bloeddruk, leefstijl of andere hartziekten. Die factoren zijn belangrijk, maar erfelijke aanleg speelt óók een rol.

Grote genetische studies laten zien dat gewone variaties in het DNA samen meer dan 22% van de gevoeligheid voor boezemfibrilleren kunnen verklaren. Niet één gen, maar duizenden kleine verschillen samen zorgen ervoor dat jouw kans hoger of lager is dan gemiddeld.

Die gezamenlijke erfelijke aanleg kun je omzetten in een score, zoals de polygenetische risicoscore.

Wat is een polygenetische risicoscore?

Een polygenetische risicoscore (PRS) is een score op basis van je DNA.

Zo’n score wordt als volgt opgebouwd;

  • onderzoekers gebruiken gegevens uit grote genetische studies (GWAS)
  • ze bekijken miljoenen varianten in het DNA
  • elke variant telt een heel klein beetje mee in het risico
  • een statistisch model weegt al die kleine beetjes bij elkaar op tot één risicoscore.

Het resultaat is een getal dat aangeeft hoeveel hoger of lager jouw erfelijke risico op boezemfibrilleren is dan gemiddeld, binnen jouw genetische achtergrond.

Belangrijk om te weten:

  • een PRS is geen diagnose
  • de score vertelt iets over je levenslange gevoeligheid, maar niet over je hartritme op dit moment
  • omdat je DNA vanaf je geboorte vastligt, is de score in principe vanaf dag één aanwezig

Dat betekent dat een PRS kan helpen om risico vroeg in beeld te krijgen. Dit kan nog voordat andere risicofactoren zichtbaar zijn.

.

Waarom werken bestaande boezemfibrilleren risicoscores niet goed genoeg ?

De eerste PRS’en voor boezemfibrilleren zijn gemaakt op basis van grote studies met vooral deelnemers van Europese afkomst.

Daar werkte de score goed. Maar als je dezelfde score toepast bij mensen met een andere genetische achtergrond, wordt de voorspelling minder nauwkeurig.

Dat komt onder andere doordat:

  • de genetische variatie verschilt tussen bevolkingsgroepen
  • sommige DNA‑varianten veel vaker voorkomen in de ene groep dan in de andere
  • grote datasets met niet‑Europese deelnemers lange tijd ontbraken

Het gevolg is dat het risico van mensen met een Afrikaanse, Latijns‑Amerikaanse of Zuid‑Aziatische achtergrond vaak werd onderschat. Dit kan ongelijkheid in zorg vergroten, juist bij een hartritmestoornis waarbij preventie belangrijk is.

Het nieuwe onderzoek: wat hebben de onderzoekers gedaan?

Onderzoekers van Amsterdam UMC wilden een score maken die beter werkt voor verschillende genetische achtergronden.

Daarbij hebben ze drie grote stappen gezet:

  1. Meer en diversere data:
    Ze combineerden gegevens van 269.746 mensen met AF en bijna 10 miljoen deelnemers in totaal uit meerdere grote biobanken. Deze deelnemers hadden verschillende genetische achtergronden: Europees, Afrikaanse, Latijns‑Amerikaanse, Zuid‑Aziatische en Oost‑Aziatische.

  2. Geavanceerde statistische methode:
    Met de methode SBayesRC berekenden ze een zeer gedetailleerde genetische score op basis van meer dan 8 miljoen DNA‑varianten. Daarbij gebruikten ze ook informatie over de functie van varianten in het DNA.

  3. Meerdere scores combineren:
    Ze combineerden de AF‑score met genetische scores van zeven andere, gerelateerde eigenschappen: onder andere hartfalen, BMI, lengte, coronairlijden en bloeddruk. Die combinatie heet een multi‑trait polygenetische score.

Tot slot stemden ze de score af per genetische achtergrond. Zo ontstonden aparte, geoptimaliseerde scores voor mensen met Europese, Latijns‑Amerikaanse, Afrikaanse, Zuid‑Aziatische en Oost‑Aziatische achtergronden.

Wat laat de nieuwe score zien?

De nieuwe multi‑trait score doet het beter dan de bestaande “gouden standaard” AF‑score in alle geteste groepen.

Enkele belangrijke bevindingen:

  • De score voorspelt AF het beste bij mensen met Europese en Oost‑Aziatische afkomst.
  • Er is grote winst behaald voor niet‑Europese achtergronden. De relatieve verbetering ten opzichte van eerdere modellen is namelijk juist het grootst bij Zuid‑Aziatische, Afrikaanse en Latijns‑Amerikaanse groepen.
  • Er is een betere risicostratificatie aan de uitersten. Zo kan de nieuwe score 6 tot 11% van de mensen met Europese en Oost‑Aziatische achtergronden identificeren met meer dan vier keer zo hoog risico op AF. Dit is vergelijkbaar met zeldzame mutaties in het TTN‑gen.
  • De nieuwe score verbetert de voorspelling van toekomstige AF als je hem toevoegt aan klinische risicomodellen zoals CHARGE‑AF en HARMS2‑AF.

Wat betekent deze boezemfibrilleren risicoscore voor jou?

Misschien heb je zelf boezemfibrilleren. Of je weet dat het in je familie voorkomt, en vraagt je af of je genetische aanleg hebt.

Dit onderzoek geeft geen directe uitslag voor jouw persoonlijke risico. Maar het laat wel zien dat:

  • erfelijke aanleg bij AF kwantitatief in beeld gebracht kan worden;
  • dit ook mogelijk is bij verschillende genetische achtergronden, niet alleen bij Europese;

dat zo’n score in de toekomst kan helpen om mensen met een hoog risico eerder te herkennen. Oók als ze nog geen klachten hebben.
Voor jou betekent het vooral dat de weg open gaat naar persoonlijkere en eerlijkere risicobeoordeling.

Van lab naar kliniek: wat is de volgende stap?

Op dit moment worden deze scores vooral in onderzoeksverband gebruikt.

De volgende stappen zijn, onder andere:

  • uitzoeken hoe je een PRS zinvol kunt inzetten in de praktijk
  • bepalen wie baat heeft bij genetische risicobepaling
  • testen of intensieve screening of preventie bij mensen met hoge erfelijke aanleg echt leidt tot minder beroertes en minder hartfalen
    zorgvuldig kijken naar ethische vragen rond genetische informatie

In de Verenigde Staten worden de polygenetische risicotesten nu voor het eerst aangeboden, maar in Nederland nog niet. De nieuwe score uit dit onderzoek biedt een basis om dergelijke testen ook eerlijk te maken voor mensen met diverse achtergronden.

Deze studie is mede mogelijk gemaakt door de Dekker Beurs die Sean Jurgens ontving van de Hartstichting.

Het volledige onderzoek is beschikbaar (in het Engels) in Nature Communications.

Wat kan jij nu al doen?

Je genen kun je niet veranderen.

Maar je kunt wél invloed hebben op andere risicofactoren.

Belangrijke punten zijn:

  • laat je bloeddruk controleren en behandelen als dat nodig is
  • beweeg dagelijks en let op een gezond gewicht
  • rook niet en wees matig met alcohol
  • neem een onregelmatig of heel snel hartritme serieus en bespreek het met je arts.

Benieuwd naar wat je kan toepassen? Bekijk de relatie tussen leefstijl en boezemfibrilleren.

Waarom Stichting AFIP dit onderzoek belangrijk vindt

Stichting AFIP doet onderzoek naar de oorzaken van boezemfibrilleren en naar de vraag waarom behandelingen niet bij iedereen effectief zijn. Daarbij zijn jouw ervaringen en klachten belangrijk. Wil je een ervaring delen? Dit kan via ons forum.

Met dit nieuwe internationale onderzoek is voor het eerst aangetoond dat een polygenetische risicoscore voor AF op een eerlijke manier kan worden verbeterd voor mensen met verschillende genetische achtergronden.

Deze ontwikkeling is een belangrijke stap richting:

  • betere herkenning van hoogrisicopatiënten
  • eerlijkere zorg, ongeacht afkomst
  • nieuwe strategieën voor vroege opsporing en preventie

Stichting AFIP blijft deze ontwikkelingen volgen en wil de brug slaan tussen complexe genetische inzichten en de dagelijkse praktijk van mensen met boezemfibrilleren.

 

Ken je iemand voor wie dit interessant is?

Gerelateerde artikelen

Feit of fabel? Veelvoorkomende misvattingen over boezemfibrilleren

Feit of fabel? Veelvoorkomende misvattingen over boezemfibrilleren
Geschreven door: Jorinde Lestuny , ,

Boezemfibrilleren is een veelvoorkomende hartritmestoornis. Er bestaan meerdere misvattingen over de oorzaken, risico's en behandelingen. In dit artikel nemen we enkele veelvoorkomende misvattingen over boezemfibrilleren onder de loep. Artikel highlights

Leefstijl als medicijn: Hoe leefstijl boezemfibrilleren kan verlichten

Leefstijl als medicijn: Hoe leefstijl boezemfibrilleren kan verlichten
Geschreven door: Prof. Dr. Bianca Brundel , , , ,

Boezemfibrilleren is een veelvoorkomende hartritmestoornis ,die de kwaliteit van leven ernstig kan beïnvloeden. Mensen met boezemfibrilleren ervaren vaak symptomen zoals hartkloppingen, vermoeidheid en kortademigheid. Recent onderzoek benadrukt het belang van

Het ontrafelen van de unieke ‘vingerafdruk’ voor boezemfibrilleren

Het ontrafelen van de unieke ‘vingerafdruk’ voor boezemfibrilleren
Geschreven door: Myrthe , ,

Atriumfibrilleren (AF) is de meest voorkomende hartritmestoornis in de Westerse landen. Helaas is de behandeling van atriumfibrilleren niet optimaal: sommige patiënten reageren goed op een behandeling, terwijl de behandeling bij

Geef een reactie