Atriumfibrilleren begrijpen door geleidingsstoornissen te meten tijdens normale hartritme

atriumfibrilleren-begrijpen

Beschrijving afbeelding: Schematische weergaven van de rechter-, linker boezem en de elektrische verbinding tussen beide boezems. In de linkerboezem monden 4 longaderen uit. In de gehele rechter en linker boezem wordt de hoeveelheid geleidingsstoornissen berekend als een percentage van het gemeten oppervlakte (1cm2) en weergegeven in kleur: blauw, heel weinig (gunstig), wit (gemiddeld), rood (veel). De getallen erboven geven de totale hoeveelheid elektrische geleidingsstoornissen weer.
Dit zijn 3 patiënten met dezelfde hartziekten, echter is de hoeveelheid elektrische geleidingsstoornissen verschillend. Ook verschilt van patiënt tot patiënt de locatie van de elektrische geleidingsstoornissen.

Atriumfibrilleren begrijpen

Storingen in de elektrische geleiding spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van atriumfibrilleren. Deze verstoringen ontstaan door bijvoorbeeld veroudering, een hogere bloeddruk of suikerziekte. Tot recent was het onbekend hoeveel geleidingsstoornissen er nu in de linker en de rechter boezem voorkomen bij patiënten die (nog) geen atriumfibrilleren hebben. Ook is het onbekend of er voorkeursplaatsen voor geleidingsstoornissen in de rechter of linker boezem zijn. Dokter Eva Lanters uit het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam heeft onderzoek gedaan naar de ernst en uitgebreidheid van een bepaald soort geleidingsstoornis, namelijk geleidingsblok tijdens het normale hartritme (genaamd sinusritme) in de gehele linker en rechter boezem. Tevens werd gekeken of er voorkeursplekken zijn voor het ontstaan van geleidingsblok, en of er een relatie is tussen geleidingsblok en het optreden van atriumfibrilleren na een openhartoperatie. Deze informatie is nodig om atriumfibrilleren te begrijpen.

Voor iedere patiënt een behandeling op maat

Dokter Lanters voerde de elektrische metingen (‘mapping’) uit in 209 patiënten die een bypass operatie ondergingen in het EMC in verband met kransslagader vernauwingen. Interessant was, dat alle patiënten gebieden met geleidingsblok in de boezems hadden, en er was een grote variatie in de hoeveelheid geleidingsblok per patiënt. Ook wisselde de locatie van de geleidingsstoornissen vaak. Dit betekent dat de elektrische geleiding in elke patiënt uniek is en dit is een belangrijke bevinding, omdat dit aangeeft dat iedere patiënt een behandeling op maat nodig heeft.

Atriumfibrilleren begrijpen bij verschillende patiënten

Ondanks de variatie in locatie van de geleidingsstoornissen, werd toch ontdekt dat er een voorkeurslocatie bestaat: namelijk hoog op de rechter boezem, in de buurt van de bovenste holle ader. Daarnaast hadden oudere patiënten of patiënten met suikerziekte iets meer geleidingsstoornissen dan patiënten zonder deze risicofactoren. Dat kan verklaren waarom deze mensen sneller atriumfibrilleren ontwikkelen.

In een vervolgonderzoek zal bekeken worden op welke wijze deze gebieden met geleidingsblok een rol spelen in het ontstaan van atriumfibrilleren bij patiënten met atriumfibrilleren.

Dokter Lanters heeft tijdens de patientenmiddag 2017 een presentatie gegeven over haar onderzoek. Deze presentatie kunt u hier bekijken.

Het AFIP team dankt alle patiënten voor deelname aan deze studie!

Publicatie: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/28888481.

Deel AFIP met je vrienden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *